Informatieverstrekking over de kosten van beleggingsfondsen

Er is niet altijd voldoende informatie beschikbaar over de totale kosten van een beleggingsfonds. Bovendien kan de vermogensbeheerder de kosteninformatie die hij ontvangt over beleggingsfondsen niet zonder meer verwerken in zijn kostenrapportage aan zijn klant.

Welke informatie beschikbaar is over de kosten hangt af van het type beleggingsfonds. De eerste vraag is of beleggingsfondsen moeten voldoen aan de bepalingen van de Europese PRIIPs-verordening.
Beleggingsfondsen die moeten voldoen aan de bepalingen van de PRIIPs-verordening zijn verplicht een Essentiële-informatiedocument (Eid) op te stellen en dit openbaar te maken. De Eid bevat uitgebreide informatie over de samenstelling en hoogte van de kosten van het beleggingsfonds. Voor de vermogensbeheerder zou deze kosteninformatie uit de Eid in beginsel voldoende moeten zijn om te gebruiken in het kosteninzicht dat hij aan zijn klant moet bieden.
Voor een groot aantal beleggingsfondsen is de PRIIPs-verordening echter (nog) niet van toepassing. Zo zijn in Nederland beleggingsfondsen die aan retailbeleggers worden aangeboden tot 31 december 2019 vrijgesteld van de verplichtingen van de PRIIPs-verordening. En beleggingsfondsen die louter aan professionele beleggers worden aangeboden vallen überhaupt niet onder de reikwijdte van de PRIIPs-verordening. Deze beleggingsfondsen hoeven dus (nog) geen Eid op te stellen en openbaar te maken. Vermogensbeheerders die dergelijke beleggingsfondsen toch in de beheerportefeuille van hun klanten opnemen zullen daarom de informatie over de totale kosten bij deze beleggingsfondsen zelf moeten opvragen.

Door beleggingsfondsen wordt als kostenmaatstaf doorgaans de ‘Ongoing Charges Factor’ (OCF) gehanteerd. De OCF bevat het totaal van de ‘lopende’ kosten van een beleggingsfonds, zoals de beheerkosten, de kosten van bewaring van de activa van het beleggingsfonds en administratieve lasten. Deze OCF wordt weergegeven als een percentage van de in een beleggingsfonds aanwezige activa. Echter, deze OCF bevat niet alle op grond van MiFID 2 vereiste informatie over kosten. Zo is in de OCF geen informatie verwerkt over in- en uitstapkosten van het beleggingsfonds, transactiekosten van het beleggingsfonds en een eventuele prestatievergoeding voor de beheerder van het beleggingsfonds. Een vermogensbeheerder kan dus niet volstaan met het louter doorgeven van deze OCF aan zijn klanten. Hij zal ook de andere kosteninformatie bij het beleggingsfonds moeten opvragen en dit verwerken in de kostenrapportage aan zijn klanten.

Het is mogelijk dat geen of onvoldoende informatie over de totale kosten van een beleggingsfonds voorhanden is en deze informatie ook niet via het beleggingsfonds kan worden verkregen. Van de vermogensbeheerder wordt dan verwacht dat hij in eerste instantie zelf een zo goed mogelijk onderbouwde inschatting maakt van de totale kosten van dat beleggingsfonds. Het is ook mogelijk dat de vermogensbeheerder met zijn klant heeft afgesproken om de kosten van beleggingsfondsen in de beheerportefeuille niet getotaliseerd, maar uitgesplitst weer te geven. In dat geval moet de vermogensbeheerder per kostenonderdeel een onderbouwde inschatting maken.

Vooral over de berekening van de transactiekosten van een beleggingsfonds wordt momenteel veel discussie gevoerd. De vermogensbeheerder dient daarvoor de methodiek uit de PRIIPs-verordening te hanteren. Echter, de berekeningen volgens die methodiek leiden tot breed variërende percentages aan transactiekosten, waarbij het zelfs mogelijk is dat de transactiekosten een negatief percentage opleveren. De belangenorganisatie van de Europese beleggingsfondsenindustrie, EFAMA, heeft veel kritiek geuit op deze methodiek, maar het ziet er voorlopig niet naar uit dat de Europese Commissie de PRIIPs-verordening op dit punt zal aanpassen. Vermogensbeheerders zijn dus voorlopig verplicht om deze PRIIPs-methodiek te blijven hanteren bij de berekening van transactiekosten, ook al geeft het resultaat weinig inzicht.

Een vermogensbeheerder die een beleggingsfonds opneemt in de beheerportefeuille van zijn klant zal dus goed moeten nagaan of hij alle benodigde informatie over de kosten van dat beleggingsfonds heeft verkregen. Fondsbeheerders doen er verstandig aan deze informatie beschikbaar te stellen. Ook zal een vermogensbeheerder de verkregen kosteninformatie kritisch moeten beoordelen, alvorens deze te verwerken in de kostenrapportage die hij aan zijn klant verstrekt. Wanneer de vermogensbeheerder niet in staat is om correcte informatie over de totale of afzonderlijke kosten van een beleggingsfonds te geven aan zijn klant, handelt hij mogelijk in strijd met zijn informatieverplichtingen tegenover zijn klant op grond van MiFID 2 als hij dit beleggingsfonds vervolgens toch in de beheerportefeuille opneemt.